dinsdag 28 februari 2006

Vragen 39

Heb je een vraag over grammatica? Stel hem hier, en de taalprof zal zo snel mogelijk reageren. De vorige vragen staan hier. Ben je docent, en gaat je vraag heel specifiek over grammatica in de klas, bekijk dan ook taalprofklas en stel je vraag eventueel daar.

Heb je onlangs een vraag gesteld en staat hij hier niet bij? Kijk dan bij de oudere vragen.

31 opmerkingen:

  1. Beste Taalprof

    Ik zit al een tijdje na te denken over de ontleding van volgende zin: Mijn lievelingskleur is blauw.

    Het lijkt me logischer dat 'blauw' hier het onderwerp is en 'mijn lievelingskleur' het naamwoordelijk deel van het gezegde. Als je de zin ombouwt naar 'Blauw is mijn lievelingskleur.' dan lijkt dat ook logischer dan in de originele zin.

    Maar als ik dan vergelijkbare zinnen zoek kom ik bijvoorbeeld op 'Mijn tuinhek is blauw.' en daar kan ik moeilijk anders dan 'mijn tuinhek' als onderwerp benoemen.

    Kan jij verklaren waar het verschil zit?

    Bedankt en fijne groeten!

    Bart

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Het is nog niet zo gemakkelijk om te bewijzen dat 'blauw' het onderwerp is in 'mijn lievelingskleur is blauw.' Je kunt de zin denk ik op twee manieren opvatten: als het toekennen van de betekenis 'mijn lievelingskleur' aan de kleur blauw ('de kleur blauw heeft verschillende eigenschappen, waarvan 'mijn lievelingskleur zijn' er eentje is), maar ook als het identificeren van mijn lievelingskleur ('mijn lievelingskleur kan bepaald worden op de kleur blauw'). In de eerste betekenis zou je zeggen dat 'blauw' het onderwerp is, in de tweede zou ik 'mijn lievelingskleur' het onderwerp noemen.

      Je hebt vrijwel geen andere middelen in deze constructie om het onderwerp te bepalen, want als je er een meervoud maakt moet de ander ook meervoud worden (hoewel je in de tweede betekenis wel de mogelijkheid hebt 'Blauw en rood zijn mijn lievelingskleur,' waarmee je bewijst dat 'blauw en rood' onderwerp is), en ook het gebruiken van voornaamwoorden geeft een onduidelijk resultaat. Je kunt wel zeggen 'mijn lievelingsneef is hij' maar je hebt ook de constructie 'dat ben ik,' waarin je duidelijk twee betekenissen hebt ('die man daar, dat ben ik' en 'verbaasd, dat ben ik') die overeenkomen met twee ontledingen.

      Je kunt dus het beste naar de betekenis kijken. Het naamwoordelijk gezegde zegt dat iemand of iets iets is. De vraag is dus, wie of wat er wat is.

      Verwijderen
  2. Hallo meneer,
    'Ik wil in het water.'
    'Ik wil het water in.'
    'Ik wil in de bus.'
    'Ik wil de bus in.'

    Is er een verschil in betekenis tussen deze varianten? Stel je ziet een bus, maar de deuren zijn nog niet geopend, kun je dan zeggen: ik wil in de bus?

    Francois

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Je kunt het verschil het beste aanvoelen in de twee zinnen:

      - Hij liep in het bos
      - Hij liep het bos in

      Hier is het verschil heel duidelijk: het voorzetsel 'in' geeft alleen de plaats aan, het achterzetsel 'in' is richting.

      In jouw zinnen is het hoofdwerkwoord niet ingevuld, en alleen het hulpwerkwoord van modaliteit 'willen' blijft over. Dit kan alleen bij een richtingsbetekenis ('ik wil weg,' 'ik wil naar huis,' maar niet 'ik wil thuis' of 'ik wil ergens anders').

      Dat betekent dat het verschil bijna wegvalt. Bij 'de bus in' zit de richtingsbetekenis in het achterzetsel 'in' én in het weggelaten werkwoord, maar bij 'ik wil in de bus' zit er toch nog richtingsbetekenis in het weggelaten werkwoord. Hooguit zou je kunnen zeggen dat bij 'ik wil het water in' iets meer het begin van de beweging wordt uitgedrukt, terwijl je 'ik wil in het water' wat algemener de doellocatie aangeeft.

      Verwijderen
  3. Goedemorgen,

    Zin 1: Ik wil vanavond best sporten, maar ik ben moe.
    Zin 2: Ik wil vanavond best sporten, maar ben moe.

    Zin één kun je samentrekken tot zin twee, maar toch merk ik een klein verschil. Bij zin één bestaat er volgens mij wat meer een contrast. Je verwittigt iemand van het feit dat jij ziek bent, dat is nieuwe informatie. Bij zin twee gebeurt dat terloops. Is hier iets over bekend. Wellicht zie ik spoken.

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Er is kritiek mogelijk op de samentrekking in 2, omdat je zou kunnen argumenteren dat 'ik' in het eerste deel een andere betekenis heeft dan in het tweede deel. Meer specifiek is 'ik' in het eerste deel iemand die iets wil doen, terwijl 'ik' in het tweede deel iemand is die iets is.

      Ik moet zeggen dat mijn persoonlijke taalgevoel bij 2 ook inderdaad aarzelt. Ik heb toch de neiging om daar een 'k' in te frommelen, waardoor het geen samenstelling meer is. Dat zou kunnen aansluiten bij jouw gevoel van terloopsheid. In zin 2 staat 'ik' er nog wel, maar het is sterk gereduceerd (hoewel niet echt samengetrokken). Daardoor ontstaat het effect dat 'ik' minder nadrukkelijk is, en van de weeromstuit ga je zin 1 lezen als een betekenis waarin 'ik' juist wel benadrukt is.

      Verwijderen
  4. Ik vroeg mijn leraar Nederlands vandaag, wat is het verschil tussen 'Ik ga naar Frank, die is een timmerman' en 'Ik ga naar Frank, dat is een timmerman'? Hij kon me daar niet echt een antwoord op geven.

    'Adolf Hitler, die/dat was een nazi.' 'Robert, die/dat is geen vriend van me.' Het heeft iets geks om met die te verwijzen, maar ik vraag me af of het taalkundig gezien ook fout is... Ik vind in een stukje van Dijkshoorn wel: 'Die is geen vriend van Scheut.'

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Misschien vormt een zin met geen een uitzondering op de regel. 'Frank, die is geen timmerman' klinkt stukken beter dan 'Frank, die is een timmerman.' Nou kun je het lidwoord hier natuurlijk weglaten, 'Frank, die is timmerman', maar bij vriend is dat lastig. Is dat woord een vreemde eend in de bijt? 'Frank, die is een vriend van me' en 'Frank, die is geen vriend van me.' Bij geen klinkt hij goed, bij een niet.

      Ben ik goed op weg?

      Verwijderen
    2. Ik vind het al een mooi stukje taalkundig redeneren, wat je daar doet! Er spelen denk ik een aantal kwesties:

      1. Als je bij 'timmerman' het lidwoord weglaat, wordt 'timmerman' meer de aanduiding van bepaalde kwaliteiten (hij is echt op ten top timmerman). Het woord 'timmerman' lijkt dan meer op een bijvoeglijk naamwoord (in de taalkunde wordt het dan 'predikaatsnomen' genoemd. Dat is bij beroepsnamen gemakkelijker dan bij andere woorden. 'Hij is vriend' is dus een gekke zin, maar 'Hij is schrijver' of 'Hij is bakker' is prima.
      2. De mogelijkheid om 'dat' als onderwerp te gebruiken, is alleen mogelijk bij naamwoordelijke gezegdes met een 'echt' zelfstandig naamwoord, dus niet bij predikaatsnomina. Dus wel 'Jan, dat is een timmerman,' maar niet 'Jan, dat is timmerman' en 'Jan, dat is slim.' Waarom je in die gevallen 'dat' kunt gebruiken, daar bestaat veel discussie over, en eigenlijk weten we dat niet precies. Dat is nog een raadsel.
      3. Er is een verschil in opbouw tussen 'Ik kijk naar Adolf, dat was een nazi' en 'Adolf, dat was een nazi.' De eerste zin is een nevenschikking van twee volledige zinnen (eigenlijk zou je daar eerder een puntkomma spellen dan een komma). Daar kun je ook in plaats van de komma het woordje 'en' gebruiken: 'Ik kijk naar Adolf en dat was een nazi.' Bij 'Adolf, dat was een nazi' heb je maar één zin, waarbij 'Adolf' voorop is gezet, eigenlijk zelfs buiten de zin, als een aanloopje (vandaar de komma). Taalkundig heet dat 'links-dislocatie.' Je kunt daar geen 'en' gebruiken ('Adolf, en dat was een nazi'). Bij linksdislocatie is er altijd sprake van een steunwoordje (bv. 'die' of 'dat'). Daar heb je dan de mogelijkheid om 'die' te gebruiken, omdat je dat bij niet-naamwoordelijke zinnen ook zou doen ('Adolf, die ken ik niet' of 'Adolf, die kon niet tegen zijn verlies'). Bij de nevenschikking kun je alleen de keuze maken die je ook in de aparte zin zou maken.

      Jouw taalgevoel heeft bij de linksdislocatie de voorkeur voor 'dat.' Daar lijkt me taalkundig niets mis mee, en waarschijnlijk in overeenstemming met het taalgevoel van de meeste mensen. Dat zou je nog verder kunnen onderzoeken door een experimentje te doen waarbij je bij je klasgenoten de verschillende voorkeuren nagaat (bijvoorbeeld, je biedt de twee varianten 'Adolf, dat was een nazi' en 'Adolf, die was een nazi' aan en vraagt op een schaal van een tot vijf aan welke variant ze de voorkeur geven. En dan voor een paar verschillende gevallen).

      Verwijderen
  5. Taalprof, ik heb wat korte vragen. Is er goed in deze zin: "Fransen, die werken er niet meer in het bedrijf"? Is de zin te vergelijken met: "De mogelijkheid, die is/bestaat er niet in Nederland"? Is dat terug te leiden naar het gedeelte 2a op deze pagina van de ANS: http://ans.ruhosting.nl/e-ans/08/06/03/02/01/body.html? Oftewel, kunnen andere werkwoorden de 'er zijn-functie' overnemen?

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Interessante zin! Het betreft hier een zogeheten 'links-dislocatie,' waarin een zinsdeel in de aanloop van de zin wordt geplaatst (voor de komma), met een steunpronomen ('die') in de zin zelf. Het is dus een variant op 'Fransen werken er niet meer in het bedrijf,' en daarin is 'er' gerechtvaardigd omdat 'Fransen' onbepaald is. Het plaatsonderwerp 'er' treedt gewoonlijk op bij onbepaalde onderwerpen.

      Het interessante is nu dat dit onbepaalde karakter van het onderwerp blijkbaar gehandhaafd wordt bij het steunpronomen, ondanks het feit dat 'die' eigenlijk bepaald is. Dat gebeurt bijvoorbeeld niet, of veel minder prominent, bij het betrekkelijk voornaamwoord 'die' (bijvoorbeeld 'Ik bedoel alleen Fransen die in dat bedrijf werken,' dat volgens mij zelfs beter is zonder 'er'). Ook bij het normale aanwijzende voornaamwoord lijkt dit effect wel een beetje aanwezig ('Fransen? Die werken er niet meer in dit bedrijf.')

      Het lijkt wel wat op de passage in de ANS die je noemt (je zou kunnen zeggen dat 'die' staat voor een onbepaalde constituent), maar van vervanging kan hier natuurlijk geen sprake zijn. Ik denk dat dit toch een algemener geval is, dat de ANS ten onrechte niet vermeldt.

      Ik denk dus niet dat de werkwoorden er iets mee te maken hebben. Het gaat om het onbepaalde karakter van het onderwerp 'die.'

      Verwijderen
  6. Zin A: Ik heb veel hobby's, breien is daar een van.
    Zin B: Ik heb veel hobby's, breien is er daar een van.

    Deze zinnen kloppen allebei, ze worden allebei gebezigd. Maar hoe kan het dat je het woord er hier kunt weglaten?

    Zin C: Er zijn een paar standbeelden, ik heb daar een van.

    Hier kan het, naar mijn weten, niet.

    Zin D: Ik heb veel hobby's, daar is breien een van.

    Hier kan het volgens mij ook niet, dan kunnen we het, denk ik, niet op de opeenvolging van er en daar gooien (C moet met er en daar), maar ook niet op een speciale karakteristiek van het werkwoord zijn (D moet met er). Is het misschien een combinatie?

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Wat hier speelt is dat verschillende er-woorden achter elkaar (er, daar, waar, hier) ertoe kunnen leiden dat er maar één keer 'er' gerealiseerd wordt, en soms zelfs geeneen.

      Neem de zin 'Er hebben er twee op zitten wachten (bijvoorbeeld: er hebben twee mensen op deze gebeurtenis zitten wachten). Stel je zet die zin in een andere volgorde (door 'twee mensen' voorop te plaatsen), dan zou je strikt genomen moeten krijgen 'Twee mensen hebben er erop zitten wachten.' In de praktijk valt dan één 'er' weg. Dit effect zie je in iets mindere mate bij botsing van 'er' en 'daar.' Je kunt wel zeggen 'Twee mensen hebben er daarop zitten wachten,' maar 'Twee mensen hebben daarop zitten wachten' is ook mogelijk.

      De enige soort 'er' die zich tegen dit laatste verzet is het zogeheten 'kwantitatieve er,' het 'er' dat je bij telwoorden ziet. Bijvoorbeeld: 'ik heb er twee daarop gezet.' Dat kun je omvormen tot 'ik heb er daar twee op gezet,' maar dan kan 'er' niet wegvallen.

      In jouw voorbeeldzin A is 'er' weggevallen omdat het naast 'daar' staat. Dat is niet verplicht, getuige zin B. In zin C heb je het kwantitatieve 'er,' dat verzet zich hiertegen (let op: de zin wordt weer wel goed als je van 'daar' 'er' maakt: het kwantitatieve 'er' kan prima samenvallen met een ander 'er'). In zin D staat 'er' niet naast 'daar' (het hoort tussen 'breien' en 'een' te staan, en het mag dus niet wegvallen.

      Verwijderen
  7. Hi! At this moment in time I'm following a Dutch learner course, and in class we couldn't agree on this sentence: *In/vanuit het vliegtuig zag Londen er mooi uit.* Someone pointed out your website and said you could help us out. Are they both possibilities with the same meaning? Do Dutch speakers use both? Care to help out a learner? Je kunt in het Nederlands antwoorden.

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Both sentences are possible, but there is a difference in meaning. 'In het vliegtuig zag Londen er mooi uit' means something like 'While I was (or we were) on the plane, London looked beautiful.' Slightly odd, because there is also a meaning available where London is situated in the plane. The sentence gets better if it is extended to 'Eenmaal in het vliegtuig zag Londen er mooi uit' (As soon as we were in the plane, London looked beautiful. In other words: we looked at London while we were at the gate or on the stairs to the plane, and we were unimpressed, but as soon as we were on the plane, it looked beautiful).

      The other sentence, 'Vanuit het vliegtuig zag Londen er mooi uit' is the normal choice. It states that London looked beautiful from the perspective of being on the plane (the English 'from').

      Verwijderen
  8. Beste Taalprof,

    Tot welke woordsoort behoort het woord niets in de zin: Niets is veranderlijker dan het weer.

    Met vriendelijke groet,

    Marije Wiersma-Visser

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. 'niets' is een onbepaald voornaamwoord. Je kunt het ook wel als zelfstandig naamwoord gebruiken, maar dat is alleen als je zegt 'het niets'

      Verwijderen
  9. Beste taalprof

    'We bezochten gisteren een oude stad. Dat was tof.'
    Welke woordsoort is tof?
    Een bijwoord of een bijvoeglijk naamwoord?
    Tof verwijst naar dat en dat verwijst naar het bezoek uit de vorige zin. Het woord bezoek wordt echter niet gebruikt in de vorige zin, maar is als het ware verzwegen.
    Klopt het dat we 'tof' als bijvoeglijk naamwoord mogen benoemen?

    Bedankt voor uw reactie.
    Vriendelijke groeten




    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Daar zijn verschillende argumenten voor: het eerste argument is dat 'tof' in elk geval mogelijk een bijvoeglijk naamwoord is, omdat je ook trappen van vergelijking hebt ('tof - toffer - tofst'). Bovendien kun je 'tof' ook vervoegen ('een toffe reis'), en dat kan alleen bij bijvoeglijke naamwoorden.

      Het gebruik van 'tof' in deze zin geeft ook geen aanleiding om het hier anders te benoemen. Het is hier gebruikt in een naamwoordelijk gezegde 'tof zijn,' dus het is naamwoordelijk deel. Een bijvoeglijk naamwoord kan als naamwoordelijk deel gebruikt worden.

      De betekenis van het onderwerp ('dat') heeft niets te maken met de benoeming van de woordsoort van 'tof.' 'Tof' is natuurlijk indirect wel predicatief gebruikt bij het werkwoord 'bezochten' (misschien bedoel je dat als een mogelijk bezwaar), maar dat is eerst genominaliseerd tot 'het bezoek' (maar dit gebeurt alleen in je hoofd), en daarna wordt naar die nominalisatie verwezen met het voornaamwoord 'dat.' En 'tof' is dan een predikaat bij het aanwijzend voornaamwoord 'dat,' dus uiteindelijk toch bij een zelfstandigheid.

      Verwijderen
  10. Hoi Taalprof,

    “Ik heb mama verteld dat Mick gegamed heeft en (dat) papa lag te slapen.”

    Zit het verschil tussen mét en zónder het tweede ‘dat’ hem in de mededeling aan de moeder? “Mama, Mick heeft gegamed en papa lag te slapen” versus “Mama, Mick heeft gegamed.” “O, is dat zo, kind?” “Ja, en papa lag te slapen.”

    Groeten

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Hoe vaker ik mijn voorbeeldzin lees, hoe gekker ik de variant zonder twee keer ‘dat’ vind.

      Verwijderen
    2. Ik zou zeggen dat je het met 'dat' in elk geval over twee gescheiden gebeurtenissen hebt. In mijn taalgevoel is het zo dat het weglaten van 'dat' op de een of andere manier één, of een samengestelde gebeurtenis gesuggereerd wordt, of iets van een verband. Dat kan wel, maar dan moet de context dat wel toelaten. Bijvoorbeeld, je moet oppassen op twee kinderen, Mick en Tim. En dan zeg je 'Ik heb de ouders verteld dat Mick zat te gamen en Tim lag te slapen.' Dat lijkt me best een voorstelbare zin.

      In jouw voorbeeld is het verband tussen de twee gebeurtenissen moeilijk te leggen, en de eerste gebeurtenis is ook nog eens voltooid terwijl de tweede onvoltooid is, dus dat bevordert die samenhang ook al niet. Geen wonder dat hij steeds gekker wordt.

      Verwijderen
  11. Hoi Taalprof,

    Als ik deze zin heb: 'Veel medewerkers kozen ervoor thuis te blijven... maar enkele gingen gewoon naar hun werk.' En ik wil 'Enkele gingen gewoon naar hun werk' als kop gebruiken (van bijv een artikel), komt er dan automatisch een n achter enkele? Aan de ene kant heb ik de neiging heel erg om er wel een n bij te zetten, 'Enkelen gingen gewoon naar hun werk' klinkt logischer, want personen. Aan de andere kant is 'Enkele gingen gewoon naar hun werk' de één-op-één weergave van de tekst...

    Wat vindt u?

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Je neiging om er een 'n' bij te zetten komt voort uit het gevoel dat je bij de kop verder geen context hebt.

      In de zin laat je de meervoudsuitgang '-n' weg vanuit de gedachte dat het een samentrekking is, en dat je er dus automatisch, omdat dat in het eerste deel van de nevenschikking staat, het woord 'medewerkers' bij denkt. Bij de kop mis je die context, dus voelt het beter aan om die 'n' erbij te zetten, maar dan lijkt de betekenis te verschuiven omdat dan niet duidelijk is dat het medewerkers betreft.

      Je kunt het probleem vermijden door in de kop voor een ander telwoord te kiezen ('een paar' bijvoorbeeld). Ik denk dat het niet echt oplosbaar is: welke keuze je ook maakt, er zitten nadelen aan. Als je toch die min of meer letterlijke quote in de kop wilt hebben, zou ik de neiging volgen om de -n erbij te zetten. Dat is wat je taalgevoel zegt, en fout is het zeker niet.

      Verwijderen
  12. Hallo,

    In de Nederlandse les hebben wij het vandaag gehad over het verschil tussen moeten en hoeven. Nu heb ik een opdracht met deze zin: De rechter heeft besloten dat de gedaagde maar 100 euro moet betalen/hoeft te betalen. Volgens mij kunnen allebei deze werkwoorden namelijk, terwijl ik bijvoorbeeld bij *Ik moet maar tot vijf uur werken/Ik hoef maar tot vijf uur te werken* wel duidelijk een voorkeur heb voor hoeven. Weet u hoe dat kan?

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Het werkwoord 'hoeven' kun je niet altijd gebruiken: er moet sprake zijn van een ontkenning ('Je hoeft dat niet te doen' tegenover *'je hoeft dat te doen'), of een soort toegeving ('Je hoeft dit maar een keer te doen,' 'je hoeft dit maar te doen en...') waar iets van een verborgen ontkenning in zit ('je hoeft dit maar een keer te doen' = 'je hoeft dit niet vaker dan een keer te doen').

      'Moeten' is aan minder beperkingen gebonden. Ik denk dat 'Ik moet maar tot vijf uur werken' niet echt ongrammaticaal is. Het kan zijn dat je een voorkeur voor 'hoeven' hebt in deze zin, maar dat maakt de andere vorm nog niet ongrammaticaal.

      Een compleet overzicht van het verschil tussen 'moeten' en 'hoeven' vind je hier

      Lijkt me trouwens een interessante les!

      Verwijderen
  13. Goedenavond taalprof,

    Een snelle en hoogstwaarschijnlijk makkelijke vraag voor u: zijn deze twee zinnen grammaticaal of moet het woord hij weg? Zo ja, waarom is dat?

    Ik zag dat Piet de deur opendeed en hij naar binnen ging.
    Ik zag dat Piet de deurknop omdraaide en hij hem ervanaf trok.

    Alvast bedankt voor uw antwoord.

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Volgens de taalnorm is samentrekking nooit verplicht. Ik denk wel dat het natuurlijker is om in deze gevallen samen met het voegwoord ook het onderwerp weg te laten, omdat 'hij' al de functie heeft om niet opnieuw 'Piet' te hoeven zeggen, en samentrekking heeft die functie ook al. Toevoeging van 'hij' heeft geen duidelijk voordeel of betekenisverschil, dus het roept eerder vragen op, omdat de overblijvende zinsdelen bij samentrekking in normale gevallen juist constrasteren met de zinsdelen uit het eerste deel van de nevenschikking.

      Verwijderen
  14. Bij de zin: " Het schijnt dat hij ziek is. " is er dan sprake van een naamwoordelijk gezegde, of hoe moet je zo'n zin ontleden?

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Het koppelwerkwoord 'schijnen' is altijd een combinatie van het modale hulpwerkwoord 'schijnen' ('ze schijnen te roken') en het koppelwerkwoord 'zijn.' Vandaar dat je bij 'Hij schijnt meestal vrolijk' altijd 'te zijn' kunt toevoegen. Dan is 'te zijn' het koppelwerkwoord en 'schijnen' weer hulpwerkwoord.

      Hier heb je het zelfstandig werkwoord 'schijnen' (iets schijnt). Dat komt meestal voor in de constructie met in plaats van 'iets' een bijzin, en dan met een voorlopig onderwerp 'het': 'het schijnt, dat...'

      Verwijderen
    2. Beste Peter-Arno,
      Hartelijk dank. Ik dacht eigenlijk al dat het zo zat, maar ik had die term "voorlopig onderwerp" niet paraat.Daardoor zat ik een beetje met "het" in m'n maag. Ook had niet bedacht dat "zijn" hier het koppelwerkwoord is zodat "schijnt" hulpwerkwoord wordt. Leuk leuk leuk. Vr. groet, Leentje.

      Verwijderen